Daar komen de stadsdichters! Een laatste saluut van oudgedienden

Uit de verte doemen vijf gestaltes op. Gehuld in lange jassen en zwierige sjaals naderen ze het station. Het zijn de voormalige stadsdichters van Groningen – twee van hen konden niet aanwezig zijn, maar zij die er wel zijn, willen voor de nieuwe verkiezing van die avond nog één keer gezamenlijk hun kunsten vertonen. Voor deze gelegenheid hebben ze bovendien allen een gedicht over Groningen geschreven.

klein-5 StadsdichtersAls eerste kondigt dichteres en presentatrice Renée Luth Joost Oomen aan, “de jongste Stadsdichter ooit”. Oomen is weliswaar klein van gestalte, maar heeft een persoonlijkheid en een stem van twee meter. Behalve dichter is hij onder andere drummer en muzikant. Hij heeft naast enkele van zijn eigen werken voor ons een gedicht over het missen van Groningen, waarin herinneringen opkomen en tomatenplanten op de rails groeien. Over de prachtige stationshal, waarin we ons bevinden, laat Oomen zich laatdunkend uit: het is een ‘galmbak’. Dit roept een beleefde discussie op: anderen vindt het juist wel mooi. Luth vraagt zich echter af of het niet egocentrisch is om jezelf zo graag te willen horen.

De tweede in de rij is Anneke Claus, de enige vrouwelijke stadsdichter tot nu toe. Claus, die van 2009 tot 2011 dienstdeed, weet het absurde in doodnormale dingen te vinden. Met een droge humor, maar ook een tikje venijn draagt ze haar gedichten voor.
Ze wordt opgevolgd door Ronald Ohlsen, die met zijn keurige verschijning en deftige, beleefde stem nog het meest doet denken aan een jonge Adriaan van Dis. Zijn voorgedragen werk is bijzonder observerend van aard, alsof hij zijn omgeving en zichzelf beter wil begrijpen. Daarnaast heeft Ohlsen voor ons een experimenteel sonnet, waarbij het publiek hem heel hard “Ja!” toeschreeuwt wanneer hij zijn hand opheft. Dit moet van tevoren eerst even geoefend worden. Eerst is het ongemakkelijk, maar als de keeltjes gesmeerd zijn, gaat het prima en hebben we grote lol, als we ons niet ergeren aan de onverlaat die “Nee!” staat te roepen.

Collega Rense Sinkgraven wordt door Luth “de liefste dichter die ik ken” genoemd. “En jij dus niet, ha!” roept hij triomfantelijk naar huidig stadsdichter Kasper Peters, terwijl hij hem een plagende tik op zijn hoofd geeft. Zijn stadsgedicht gaat over de Nederlander in zijn favoriete omgeving: Zuid-Frankrijk. Hier zegt deze vervolgens dat het er ook net Groningen is, om bij thuiskomt te verklaren dat Groningen zo mooi is, net Zuid-Frankrijk. Tja. Hierna zegt hij: “Ik heb een gedicht over Van het Reve en een gedicht over K. Schippers. Wat willen jullie horen?” Het wordt K. Schippers.

Het halfuur wordt afgesloten met Kasper Peters, die rustig in kleermakerszit heeft gewacht op zijn beurt. Taal beschouwt hij als speelgoed dat nooit opraakt, zegt hij terwijl hij in zijn zakken rommelt, op zoek naar het juiste papiertje. Hij draagt het bekende Beroependag voor, over hoe ongemakkelijk het is als je ouders in de klas komen, en Klein Mannetje, eveneens een succesnummer. Over pakweg vier uur is hij weer gewoon “een Kasper”, zoals hij eerder verkondigde. Maar we hoeven hem niet te missen, want hij blijft hier gewoon rondlopen.

Rachel Raetzer

Foto: Henk Veenstra

Reageren is niet mogelijk