Daar staat de poëzie!

Poëzie en een stadsdichtersreünie in de Stationshal

klein-dichter stationHet is klokslag 14:00 uur. Op de kleine rotonde voor het Groninger Museum heeft zich een clubje mensen verzameld. Voorzien van dikke mutsen, wollen sjaals en een map onder hun arm staan ze op een kluitje, als een soort kerstkoortje dat wacht op het signaal van de dirigent. Richard Nobbe, de lange jongen die de vorige avond nog ‘Poëzie MET’ in het ORKZ presenteerde, steekt er fris en fruitig bovenuit. Net op het moment dat ik denk dat het groepje een liedje zal gaan inzetten, met Richard als bariton, maakt een vrouw zich eruit los en stapt op de rotonde van Mendini. Ze begint een gedicht te declameren, zo uit haar hoofd. Over Auguste Rodin, wiens kunst zich achter de muren van het museum naast haar bevindt. Ze is één van de leden van de Schrijversvakschool en de Spoken Word Poets die hier vanmiddag een ode brengen aan de Franse beeldhouwer. Dichters volgen elkaar op, het museumpleintje wordt een arena. Voorbijgangers moeten zich tijdelijk begeven op dit podium en zich daarmee verhouden tot de dichters, die de sculpturen van Rodin tot leven wekken. De Hellepoort, De Kus, De Denker, allemaal worden ze voor een moment bevrijd uit hun bevroren positie. Woord en beeld, letterlijk en figuurlijk, komen samen. Het is goed om te zien dat vrijwel alle leeftijdscategorieën door de dichters vertegenwoordigd worden. Zo in de openbare ruimte kan ook het publiek niet uitsluitend uit grijze koppen bestaan. De dichters hier voor het museum laten zien dat poëzie van alle tijden en voor iedereen is. Een oudere dame maakt foto’s, een vader blijft even staan met zijn twee dochtertjes.

klein-HV_Mauricio PlatDe rotonde is een fantastisch podium, omdat de passanten allemaal voor een paar seconden tot zowel publiek als artiest worden gemaakt. Die spanning is heel interessant en ook duidelijk zichtbaar. Poëzie wordt hier uitdagend, en sommige dichters weten de thematiek van Rodin daar ook mee te verbinden. Helaas heeft dat langskomende publiek ook een nadeel. Er is het geluid van rolkoffertjes, van startende scootertjes, of van scholiertjes die giechelend de blik van de dichter proberen te ontwijken. Poëzie in de openbare ruimte heeft altijd iets heldhaftigs, maar een microfoon was geen overbodige luxe geweest.

Om 16:00 uur sta ik vol verwachting in de Stationshal, te wachten op de stadsdichterstournee. Groningen heeft al zeven stadsdichters gehad en speciaal voor deze Poëziemarathon komen ze samen om te mijmeren over Stad. Zo ook vanmiddag op het station. Een goede plek voor een reünie, waar menig stadjer ongetwijfeld wel eens dat gevoel van thuiskomen heeft ervaren. Dan zwaaien de automatische deuren van de hal open. Ik draai me samen met een collega om en we roepen spontaan in koor: “Daar komen ze!” Een soort openingsscène van ‘The A-team’ wandelt mijn vizier binnen, starring de onmiskenbare potloodventersjas van Joost Oomen, de pyjamabroek – pardon, jazz pants – van Rense Sinkgraven, de koddige gebreide sjaal van Kasper Peters, geflankeerd door sexy sidekick Anneke Claus en godfather Ronald Ohlsen. Aan de benjamin van het stel, Joost Oomen, de eer om af te trappen, met de houten banken als zijn podium. Voor zijn doen houdt hij het aardig rustig, maar dat komt mede door de gruwelijke akoestiek van de ruimte, die hij heel terecht aanduidt als een ‘galmbak’. Dat is jammer, want ook zijn collega’s zijn zo nu en dan wat lastig te horen, wat zeker niet kan liggen aan hun voordracht, waarin de ervaring duidelijk hoorbaar is.

klein-5 StadsdichtersHet voordragen van poëzie, zo staande op de banken in de stationshal, heeft de allure van een vurige demonstratie. Echter, de voorgedragen gedichten zijn eerder nostalgisch, of haast aandoenlijk van karakter. Over heimwee naar Groningen, over stadjers op de camping in Zuid-Frankrijk, of over de schoonheid van de Ommelanden. Maar ook over het kleine mannetje in de straat en over het bang worden van een film. Eigenlijk geeft het een heel gemoedelijke aanblik, bijvoorbeeld zo’n Kasper Peters met zijn eeuwige sjaal op een houten bankje. Het publiek dat is blijven staan, bestaat voornamelijk uit collega’s, vrienden en pers, maar toch blijft er zo nu en dan een niet zo gehaaste treinreiziger staan om te kijken naar dit toch wel ongebruikelijke tafereel. Even is daar dan toch een opzwepend bedoeld gedicht van Ronald Ohlsen, een sonnet over een nacht op Noorderzon waarbij het publiek na elke regel op zijn teken heel hard “Ja!” moet schreeuwen. Natuurlijk is er één oud mannetje dat denkt dat het heel grappig is om dan als enige keihard “Nee!” te roepen. Een koppige daad van verzet, maar gelukkig is iedereen gezond genoeg om dat te negeren.

De stadsdichters vormen met zijn vijven een diverse groep, met een frisse afwisseling in stijl en thematiek. Leuk dat daar vanaf heden nog een vrouw aan wordt toegevoegd, want op Anneke Claus na zijn het allemaal heren. Heren van kwaliteit weliswaar, maar toch. En die akoestiek… Ach, dan moet men maar gewoon dichterbij komen staan.

Door Mirjam Deckers. Foto’s Henk Veenstra.

Reageren is niet mogelijk