De zaken in net een ander perspectief zetten: lezen, vragen en luisteren

Jubileum: afgelopen weekend was het de vijfde keer dat ik verslag mocht doen van Het Grote Gebeuren. Terwijl ik teruglas wat ik in de afgelopen jaren allemaal geschreven heb over het festival en de programmering, valt me op dat ik altijd iets te zeiken heb over panelgesprekken. Ik kies vaak voor een panelgesprek, omdat ik een een-op-eengesprek nogal saai vind, terwijl een rondetafelgesprek met drie of vier gasten de ruimte opent om verder te gaan dan een streng vragen-en-antwoorden. Terugkerend element in mijn besprekingen is voornamelijk degene die het panelgesprek leidt. Die laat vaak nogal wat te wensen over. Vorig jaar besloot ik mijn bespreking met: ‘Een tip voor de redactie: als je een open, interessant en wat diepgaander gesprek wilt, spendeer dan wat meer geld aan interviewers. De auteurs hebben het in zich en hun werk verdient het.’ Was dat tijdens de 2017-editie weer het geval?

Mijn avond begint bij het panelgesprek over het korte verhaal. Deelnemers zijn Annelies Verbeke, Vonne van der Meer, Rob van Essen en Marleen Nagtegaal. Zij worden geïnterviewd door Lidewijde Paris. Het gesprek begint met een onderzoek naar wat het korte verhaal eigenlijk is. Hoewel dat nogal een open deur lijkt, opent die vraag juist de ruimte om de verschillende opvattingen over het korte verhaal met elkaar te laten babbelen. Een kort verhaal heeft een andere spanning dan een roman, zegt Verbeke. De compositie is anders en als alles gezegd is, dan houd je op, zegt Van der Meer. Iets waar een lezer als Paris niet zo veel mee kan, want ze wil meer, meer, meer, als het verhaal ophoudt. Van Essen noemt dat de ontwikkeling van het personage grotendeels voltooid is voordat het verhaal begint. Je valt er dus altijd in het midden in. Nagtegaal vult later aan dat je er ook in het midden weer uitvalt. Een onverzadigende gedachte voor Paris, want die wil een rond verhaal met een mooi begin en einde, terwijl we allemaal weten dat er altijd iets voorafgaat en volgt op een verhaal (of roman).

Terwijl er in een roman de ruimte is voor ontwikkeling, gaat het in een kort verhaal meer om een aantal gebeurtenissen en (doorgaans aan het slot) een openbaring, een epifanie, zoals Verbeke met James Joyce noemt, zoals in het openingsverhaal van Halleluja, Verbekes laatste verhalenbundel. In dat verhaal huilt een baby, omdat die de toekomst van zichzelf en diens ouders kan zien, een gruwelijk gegeven. Rond zijn derde of vierde verliest het kind die kennis en komen herinneringen ervoor in de plaats. De openbaring manifesteert zich vooral bij de lezer die Verbekes idee op zich laat inwerken. Een kracht van literatuur: de zaken in net een ander perspectief zien. Paris concludeert dan enigszins ontevreden: het verhaal is dus af wanneer het bij de lezer begint te werken, daarmee aansluitend bij Van der Meer die vroeg in het gesprek het had over de lezer die het korte verhaal zelf kan afmaken na de laatste zin.

Het andere panelgesprek dat ik bijwoon, vertrekt vanuit Als dit zo doorgaat, een bundel vol speculatieve fictie die voortkomt uit de vraag die samensteller Auke Hulst een hele rij auteurs stelde: welke wereld maken we? Eerder schreef Jeroen van Rooij een indringende kritiek op de bundel (lees hier), dus commentaar op de bundel laat ik achterwege. Zo’n geëngageerde bundel, reden om die aloude discussie over engagement in de letteren weer eens af te stoffen! Zo geschiedde. Behalve Hulst waren Alma Mathijsen, Özcan Akyol en Tommy Wieringa uitgenodigd om onder leiding van een grappende en van de hak op de tak springende Peter Middendorp te praten over het politieke potentieel van literatuur.

Ik vind het tegelijkertijd hilarisch en frustrerend dat discussies over engagement in de literatuur altijd volgens hetzelfde stramien verlopen. Als Peter Middendorp vanaf het begin de vragen anders gesteld had – niet meer: kan literatuur geëngageerd zijn? wat is engagement? etc., maar: wat voor effect kan een literaire tekst hebben? – dan was het gesprek uitgestegen boven het circus dat het nu was. Literatuur is per definitie geëngageerd, omdat schrijven inmenging in de wereld betekent. Vorige week schreef Lieke Marsman nog in NRC Handelsblad: ‘Literatuur verhoudt zich dus expliciet, maar ook impliciet, tot de tijd waarin ze wordt geschreven. Tijdens het schrijven van dit stuk stuit ik op een gedicht van de Poolse dichter en nobelprijswinnaar Wisłlawa Szymborska waarin dit mooi wordt verwoord. Ongeëngageerde literatuur bestaat eigenlijk niet, aldus Szymborska. ‘Wij zijn kinderen van onze tijd,/ en onze tijd is politiek. (…) Wat je zegt wekt respons / waarover je zwijgt spreekt voor zich / en is zus of zo ook politiek.’’

Dat geldt dus (!) niet alleen voor een project als Als dit zo doorgaat van Hulst, maar ook voor de andere drie auteurs, hoezeer ze ook zich proberen te onttrekken aan het label geëngageerd. Akyol probeerde zich het meest te distantiëren van het etiket, terwijl hij ook vertelde dat lezers van zijn boeken hem vertellen dat ze de omstandigheden van Nederlanders met een andere sociaalculturele achtergrond nu beter kunnen begrijpen. Ging het gesprek over effecten, dan werd op zo’n moment duidelijk wat de (politieke) kracht van literatuur kan zijn. Voor Wieringa geldt hetzelfde: hij sprak over ‘per ongeluk geëngageerd zijn’, terwijl hij voor zijn romans zijn columns – altijd betrokken, evenals die van Akyol – als input gebruikt. Lijkt me duidelijk dat er dan een politieke lading in zit. Dat die in een column anders onderzocht wordt en overkomt op lezers dan in een roman, is een andere kwestie.

Mathijsen zegt erover: je ontkomt niet aan niet-geëngageerd schrijven. Zij vindt echter het krampachtige proberen en profileren vreselijk. Dan kiest ze wel voor een essay. Dit is een van de momenten waarop duidelijk wordt dat deze engagementsdiscussie in wezen een genrediscussie is: welk genre gebruik je om je boodschap over te brengen? Engagement past volgens Akyol meer bij de opiniestukken die hij schrijft. Wieringa neemt min of meer dezelfde houding aan, terwijl hij in navolging van het werk van Houellebecq zegt dat hij blij is met meer engagement in de Nederlandse literatuur, omdat die zo meer richt op de wereld. Aan het slot van het gesprek draait hij nogmaals door te zeggen dat schrijvers de kleine opdracht hebben aan het werk te gaan om uitzonderingen als 1984 en Brave New World te schrijven, omdat het uitgerekend die boeken zijn, die geëngageerde (!) romans (!), die ons laten reflecteren op welke wereld we maken en achterlaten.

Het laatste programmaonderdeel dat ik bijwoon, is het interview dat Herman Meijer heeft met Alma Mathijsen, die invalt voor een zieke Eva Meijer. Ze komt vertellen over haar nieuwe roman Vergeet de meisjes. Meijer gaat echter eerst in op de vorige roman, De grote goede dingen, waarin naar een vader gezocht wordt. De vragen die volgen, koppelen de roman aan Mathijsens eigen leven, omdat zij ook jong haar vader verloren heeft. Ze deelt een aantal herinneringen en komen via een Carver-citaat uit de roman bij haar laatste roman. Vergeet de meisjes, ontleend aan een gedicht van Carver dat ook in roman twee voorbijkomt, gaat over een Amerikaanse journalist die twee vrouwen in een beklemmende relatie volgt. Een van hen, gelauwerd schrijver vanwege haar debuut, bevindt zich in een artistieke impasse, onder andere vanwege ziekte. Schrijven is voor haar, Iris Kouwenaar, een fysieke onmogelijkheid geworden. Zij wordt verzorgd door Kay Idle. Verzorgen is hier een understatement, want de strekking van de relatie is dat Kay in Iris op wil gaan, zoals Mathijsen het mooi noemt. Zo onderzoekt ze zorg, vriendschap, liefde en verbintenis. Ik had daar nog wel wat meer over willen horen, maar tegen het einde van het interview zoomt Meijer weer uit en stelt een aantal algemene vragen over de vriendschappen die Mathijsen zelf heeft en het gekonkel bij De Bezige Bij vanwege Abou Jahjah.

Een interviewer of moderator zorgt ervoor dat een gesprek staat of valt. Vanzelfsprekend draait het om de formulering van de vragen. Een auteur heeft altijd wel wat te vertellen. En lezers en luisteraars, die hebben altijd wel wat te klagen. Zoals ik.

Obe Alkema is kunstenaar. Werkt bij Perdu. Schrijft voor NRC Handelsblad. Cureert een debuut bij het balanseer te Gent.

Foto’s: Henk Veenstra

Reageren is niet mogelijk