Dichters in de Prinsentuin: Het mechaniek van de ontroering dat vastliep

 

Vijf jaar geleden overleed de veelgelezen dichter Rutger Kopland. Tijdens de twintigste editie van Dichters in de Prinsentuin is hij herdacht met een uitgebreid zaterdagavondprogramma over ontroering in zijn werk. Maak een programma over Kopland en weet dat de opkomst hoog is. Reden om het programma te verplaatsen naar het schip van de Martinikerk, vanwege de galm een ongelukkige keuze, maar vaker gemaakt in de Dichters in de Prinsentuin-historie. Daarover is genoeg gezegd en daarom laat ik het hierbij.

Ontroering in poëzie, dat is waar de avond om draait. Tjitske Jansen, Sasja Janssen, Frank Keizer en Ted van Lieshout gaan onder leiding van moderator Lisa Weeda praten over de ontroerende werking van en in poëzie. Janssen steekt van wal met een aantal interessante opmerkingen over de manier waarop ontroering in Koplands denken en poëzie functioneert (het zogenaamde terugvinden van het oude in het nieuwe/nu, cirkelend rondom de vraag: wat treft mij?) en hoe Janssen zelf over ontroering nadenkt (ze legt liever nadruk op de transformatieve kracht van taal die kan blootleggen wat menszijn betekenen kan, hoe grondeloos de werkelijkheid kan zijn in plaats van de dingen te laten zien zoals ze zijn). Janssens start biedt de mogelijkheid om meteen de diepte in te gaan en na te denken over de werking van ontroering in plaats van uit te zoeken wat ontroering precies is, maar die wordt niet benut.

 

Beschouwt Janssen ontroering als een persoonsoverstijgende ervaring van menselijkheid en sterfelijkheid – sta mij een parafrase toe – dan vinden we een andere opvatting bij Ted van Lieshout die eerder uitgaat van herkenning. Hij vraagt zich dan ook af of iets nieuws ontroerend kan zijn, omdat het niet-herkenbaar is. Volgens Frank Keizer wel die een prachtig gedicht van Bert Schierbeek meegenomen heeft dat te lezen is als een vuist tegen de ontroering, maar dat toch ook weer ontroert. In het gedicht dat gaat over de dood van Schierbeeks echtgenoot klinkt een onbehouwen woede door, schaamte en betrokkenheid, in tegenstelling tot een soort onverschilligheid in het werk van Kopland, zoals Keizer opmerkt. Hij wil de betrokkenheid niet activistisch noemen, maar beschouwt die wel als een uitzicht op het mogelijke. De ontroerende werking van Schierbeeks militante rouw, zoals Keizer het noemt, heeft iets mobiliserends en activerends, omdat het de mogelijkheid biedt tot iets nieuws.

Dit moment had het gesprek kunnen tillen naar een hoger plan en kunnen terugleiden naar Janssens opmerkingen, maar zowel de andere gesprekspartners als de moderator missen de boot. Het gesprek blijft hangen in de startblokken en komt niet verder dan een zoektocht naar wat ontroering is in plaats van de effecten ervan in poëzie en specifiek in Koplands werk. Hoe komt het dat een bepaalde eindzin uit een gedicht van Kopland voor Van Lieshout zo ontroerend is, terwijl Janssen die liever als uitgangspunt, als beginzin voor een vervolg neemt? De vraag hoe ontroering werkt, blijft onbeantwoord.

Het werk van Kopland kwam eigenlijk alleen aan bod in kleine intermezzi uit de toneelvoorstelling Kopland, maar die hadden net zo goed achterwege gelaten kunnen worden. Via soundscapes werden gedichten van Kopland voorgedragen en geëchood, vermengd met korte theaterscènes. Tot slot dragen Helena Hoogenkamp en Frank Keizer teksten voor, geïnspireerd op het werk van Kopland en geschreven tijdens Oerol. En dan is een regel van Keizer ineens exemplarisch voor de gehele avond: het mechaniek van de ontroering dat vastliep.

Tekst: Obe Alkema (1993) is kunstenaar, artistiek entrepreneur, poëziecriticus voor NRC Handelsblad, brandmanager bij Stichting Perdu en publiceert in/op diverse Nederlandse, Vlaamse en internationale tijdschriften/platforms.

Foto’s: Reyer Boxem

Reageren is niet mogelijk