Dichters in de Prinsentuin: Van groots tot piepklein

De boeren klagen, maar het festivalorganisatie absoluut niet: de zon prijkt fel boven de vandaag broodnodige parasols. Mijn buurvrouw schuift vlak voor het programma begint nog een stoel op om de hete stralen te ontvluchten. Beter weer om zo de koele schaduw van de loofgangen op te zoeken bestaat er eigenlijk niet.

Theeveld – ronde één
Nadat ook de laatste mensen een plekje hebben kunnen vinden, gaan we van start. De aftrap wordt gedaan door Erik Bindervoet, die meteen op de avontuurlijke toer gaat. Bij wijze van experiment leest hij zijn nieuwste bundel De olifant van Oostzaan voor, maar dan met alles over de liefde eruit geknipt en weer aan elkaar geplakt. Het wordt ontvangen met Gronings geklap, of in de woorden van Lisa Weeda, die het gebeuren op het Theeveld fantastisch aan elkaar praat: “ik was vergeten dat iedereen in Groningen altijd heel beleefd klapt.” Het applaus wordt hierop inderdaad enthousiaster, al blijft het voor de vele Vlamingen dit jaar waarschijnlijk nog altijd nogal Calvinistisch.

Maar Bindervoet is niet de enige die ons tijdens deze eerste theeveldronde verblijdt met prachtige taal. Ook Katelijne Brouwer draagt voor, en wel alsof je haar (afhankelijk van het gedicht) zojuist op straat of op een feestje bent tegengekomen en ze een fantastische anekdote vertelt, zo natuurlijk glijden de woorden uit haar mond. Een uitzondering op deze verteltrant vormt de cyclus over haar moeder, misschien wel het mooiste van wat ze hier voordraagt.

Floor Buschenhenke, Prinsentuinoudgediende die in 2001 al voor het eerst kwam, heeft het publiek meteen voor zich gewonnen als ze meldt vanuit commerciële overwegingen alleen uit haar meest recente bundel Parachute voor te dragen. Wat volgt stelt zeker niet teleur: fantastische verhalende poëzie, waaronder een cyclus waarin het personage hoop als een soort huismoeder door het leven kabbelt, zonder haar meer goddelijke taken te laten verslonzen, terwijl haar positie onder druk staat.

Tijdens de laatste dichter van deze eerste ronde lijkt het theeveld nog wel stiller. Dat is geen wonder, want Radna Fabias draagt haar indrukwekkende poëzie op indringende wijze voor, waarbij het Theeveld plots wordt meegenomen naar scherp afgetekende man-vrouwverhoudingen, die desondanks waarschijnlijk verder van het grootste deel van het publiek afstaan dan Buschenhenkes allegorische hoop. Het is poëzie die in je hoofd doordendert en nagalmt, soms zelfs letterlijk door z’n herhalingen. Het is voor mij ook poëzie die niet meteen tot applaus uitnodigt, maar tot tomeloos ontzag. Toch weet ze ook licht af te sluiten: “Kan ik er nog één doen? Jullie tillen me maar weg hoor.”

Loofgangen
De loofgangen vormen een uniek podium, want zo dicht bij een dichter – met slechts een smalle groene haag die niet bijster geschikt blijft voor de erin geprikte naambordjes – kom je eigenlijk nooit. Dat werkt twee kanten op, of zo lijkt het tenminste. In zo’n kleine, intieme setting is de voordracht ineens toch heel anders dan op een podium. Zo lijkt Johan Petit nog meer een theaterstuk op te voeren bij zijn voordracht van zijn plat-Antwerpse vertaling van The Raven van Edgar Allen Poe. Een gedicht dat weliswaar al vaak in het Nederlands vertaald is, maar aldus de dichter nog nooit op een manier waarop hij het origineel nog kon herkennen. Zijn vertaling is daarmee iets meer een bewerking, maar dat maakt wel dat het klankenspel en de sfeer uit het origineel zich zelfs naar deze zonnige Prinsentuin weten te verplaatsen. Een onvergetelijke ervaring, die in een andere setting ongetwijfeld minder indruk had gemaakt.

Ook interessant zijn Astrid en Jana Arns, dichtende moeder en dochter die naast elkaar geprogrammeerd staan. Jana Arns vertelt dat haar moeder wel eens een gedicht over haar voordraagt, en draagt daarom een gedicht over haar moeder en vervolgens één over haar eigen dochter voor. Het gedicht over haar dochter van Astrid Arns heb ik helaas niet gehoord, maar het grote verschil tussen moeder en dochter was zonder meer interessant.

Derde tof optreden tijdens mijn eerste loofgangronde was van Moya De Feyter, die niet achter de heg maar in een poort stond. Daardoor werd ons luistergroepje van toevallige voorbijgangers een kring waar de dichteres zelf ook deel van uitmaakte, wat alles nog wat intiemer maakte dan in de rest van de loofgangen. Ze kon hierdoor zachte stem haar sprookjesachtige werelden schilderen; iets wat vreselijk goed bij haar gedichten past.

Theeveld – ronde twee
Terug op het theeveld staat er al jong talent te wachten. Jacco Hage en Sarah Zajac, respectievelijk Doe Maar Dicht Maar-finalist en -winnaar, vormen de surprise-openingsact van deze tweede serie optredens op het theeveld. Ieder dragen ze om de beurt een gedicht voor, die vooral opvallen door hun vreselijk sterke beelden en vaak al enorm volwassen poëzie. Dat Jacco al aardig wat podiumervaring heeft opgebouwd is goed te merken: hij weet niet alleen met zijn poëzie, maar ook met zijn grapjes het publiek voor zich te winnen. Hoogtepunten zijn zijn sterke vergelijkingen, zoals: “honger knaagt aan je als een verdwaald konijn” en “angst als een hongerige haai”, beide uit het gedicht Overkant, dat over vluchtelingen gaat. Sarah valt op met de manier waarop ze haar gedichten eenvoudig en klein weet te houden, zonder dat het simpel wordt. Zo schreef ze een fantastisch bizar gedicht over iemand die in een cactus verandert.

Eeltsje Hettinga, provinciedichter van de provincie Friesland, draagt in het Fries voor (“sorry Groningen, dat mag best!” aldus presentator Lisa Weeda). Hoewel zijn taal zingt en danst, merk ik dat ik het lastig vind om mijn aandacht helemaal bij zijn poëzie te houden. Ik versta er namelijk vrijwel geen woord van, Hettinga’s vertalende noten die af en toe tussendoor komen ten spijt. Toch vind ik het toevoegen van een Friese dichter een goede keuze: Hettinga en enkele andere dichters bewijzen vandaag maar weer eens wat voor prachtige streektaalpoëzie ons taalgebied rijk is, en waarom we deze moeten koesteren, zelfs als we het niet zo goed verstaan.

Hans Wap zet de (humoristische) toon meteen: “ik zal kijken of ik het in het Fries kan doen, maar dat zal wel niet lukken.” Zijn eerste gedicht behoeft enige inleiding: een op zich al hilarisch gebrachte anekdote over toen Wap en Menno Wigman ooit eens tijdens Dichters in de Prinsentuin een kamer deelden. Deze anekdote vindt zijn climax in een fantastisch komisch gedicht over de snurkkunsten van Wigman. Maar Waps gedichten zijn meer dan grappig: het zijn gedichten zoals gedichten moeten zijn. Krachtige observaties, in Waps geval in no nonsense taal.

Deze ronde wordt afgesloten door Daniël Vis, die voordraagt uit zijn bundel Insect Redux. Hiermee is hij zojuist in de loofgangen al begonnen, en hij heeft besloten gewoonweg verder gegaan waar hij net gebleven ons, om verveling voor zowel publiek als zichzelf te voorkomen. Dit betekent wel dat we de eerste anderhalve pagina van het huidige gedicht missen, maar op zijn “schier eindeloze” gedichten maakt dat niet uit, verzekert hij ons. Zijn spreken in fascinerend, op sommige momenten bijna een perfecte robotstem, en hier sluit dat ook goed aan bij het gedicht.

Loofgangen
Het is inmiddels tijd om ons een tweede maal in de loofgangen terug te trekken. Daar staan nu iets minder dichters dan tijdens de vorige ronde, maar nog altijd meer dan genoeg om je drie kwartier uitstekend te vermaken, geraakt te worden, je te laten verwonderen of wat je ook maar van poëzie verlangt. Zo dragen de jonge Jacco Hage en Sarah Zajac ook hier voor, en wordt nogmaals bevestigd dat we ons in ieder geval over de literaire toekomst geen zorgen hoeven te maken. Even verderop staat Radna Fabias, even indrukwekkend als eerder en met een luisteraarsschare die zo groot is dat ze aan de randen nog amper te verstaan is.

Het heerlijke van streektaalpoëzie wordt nogmaals onderstreept door Willem Tjebbe Oostenbrink, die in het Gronings onder andere over vogels vertelt. Naast hem staat Eeltsje Hettinga het Fries nogmaals te vertegenwoordigen. Ik probeer tevergeefs of ik het nu wel versta, maar word in ieder geval betoverd door zijn klankenspel.

Grote verrassing voor mij deze ronde is Else Kemps, die een poging heeft gedaan die de verschrikking die de basisschool heet in poëzie te bevatten, compleet met tragische personages. Het is dan ook geen wonder dat ik haar even later terugvind op het theeveld.

Theeveld – ronde drie
Het einde van deze eerste poëziedag is bijna aangebroken, maar niet voor ik me opnieuw in het gras van het theeveld nestel. Lisa Weeda vervloekt haar microfoon door Bart Moeyaert bij zijn aankondiging “een soort Beyoncé van de literatuur” te noemen, al maakt dat de vergelijking niet per se minder waar. Moeyaerts optreden is er namelijk één van enorm vakmanschap: in zijn gedichten, maar ook in zijn voordracht. Zo houdt hij zich aan het begin verre van inhoudsloze tussenpraatjes, maar leidt hij ieder gedicht in plaats daarvan in met een perfect getimede stilte. Het beste in nog wel zijn verteltrant, waarbij ieder gedicht wel een fantastisch gloednieuw verhaal lijkt te zijn, waarvan hij niet kan wachten om het te vertellen. Uiteindelijk doorbreekt hij zijn tussen-gedichtelijke stiltes wel met een fantastisch praatje over de Antwerpen vs. Brugge, wat eindigt in een gedicht in Brugges dialect. Voor de verstaanbaarheid hier in het hoge Noorden brengt hij het daarna opnieuw, maar dan in vertaling. Tenslotte volgt “Siberië: mijn warmste gedicht ooit geschreven”, een aankondiging die op gelach kan rekenen, maar wel volledig waar blijkt te zijn.

Het optreden van Rozalie Hirs begint met wat verwarring bij de presentatie, die naar zich op zoek gaat naar Hirs, terwijl deze voor haar blijkt te zitten. Hirs draagt vijf gedichten voor: een cyclus van vier, gebaseerd op de ideeën van een Nederlandse filosoof (“wie raadt wie het is, krijgt een prijsje”) en een losse. Het is poëzie als veel filosofie: hoe langer het doorgaat, hoe verder we de metafysische diepte in duiken.

Dan is het de beurt aan Else Kemps, die opent met een anekdote over een optreden in Limburg. Daar stond een mevrouw haar vreselijk af te kraken, terwijl ze achter haar stond. Vervolgens heeft ze die vrouw tijdens haar tweede optreden van de dag te kijk gezet. De boodschap: of we een beetje lief voor haar willen zijn. Wat volgt zijn de gedichten die ze eerder al in de loofgangen voordroeg. Ze weten herkenbaar te zijn, zonder aan scherpte in te boeten.

Wat goed is, hoeft niet van ver te komen, bewijst dagafsluiter Lévi Weemoedt. Hij woont namelijk al geruime tijd in Assen, en weet zijn uitgebreide aankondiging simpelweg af te doen met “ik ben naast dichter ook maar gewoon een persoon, hoor.” Zijn optreden is een doldwaze weg van associatie naar associatie, waarin de gedichten naadloos in de rest van zijn spreken opdoemen, vooral gekenmerkt doordat zijn taal ineens op rijm is gezet. Er wordt gelachen, het is hilarisch, maar ook veelal tragisch: “je hoeft niet te klappen / ik krijg klappen genoeg.”

Met zo’n prachtig programma was de taal alleen al genoeg om de middag goed te vullen, en was de zon toch vooral een stralende bijzaak.

Tekst: Daniëlle Fluks

Foto’s: Reyer Boxem

Reageren is niet mogelijk